Jonas Vingegaard is zondag 19 juli 2026 uit de Tour de France gestapt na een zware valpartij in de vijftiende etappe. De tweevoudig Tourwinnaar ging tegen het asfalt op zo'n 19 kilometer voor de finish op de slotklim naar het Plateau de Solaison, samen met ploeggenoot Sepp Kuss en klassementsman Isaac del Toro. Vingegaard, die tweede stond achter titelverdediger Tadej Pogacar, stapte met zijn rechterarm in een mitella in de ambulance. Zijn Tour zit erop.
Voor miljoenen kijkers was het een schrikmoment. Maar achter de beelden van die loodzware slotklim schuilt ook een verrassend leerzame som. Want hoe berekenen wielrenners eigenlijk hoeveel vermogen ze leveren op een berg? Dat is precies de natuurkunde die op de middelbare school aan bod komt bij het hoofdstuk arbeid en energie. We leggen uit hoe je zelf het vermogen van een klimmer berekent — handig voor je natuurkundehuiswerk, en verrassend dicht bij wat de coaches van Visma–Lease a Bike elke dag doen.
Wat is er gebeurd op het Plateau de Solaison
De vijftiende etappe eindigde met een lange, steile beklimming. In een flauwe rechterbocht, op hoge snelheid, gingen meerdere renners tegen de vlakte. Volgens Cyclingnews raakte Vingegaard daarbij ook zijn hoofd. Hij reed nog even door, maar moest opgeven. NBC Sports meldde dat hij met een arm in een mitella werd afgevoerd — een teken van een mogelijke sleutelbeen- of schouderblessure, letsel dat in het profwielrennen berucht vaak voorkomt.
Voor het klassement is de gevolgtrekking simpel: Pogacar staat er nu comfortabeler voor. Maar laten we inzoomen op de klim zelf, want daar zit de natuurkunde.
De kernformule: arbeid, energie en vermogen
Om een berg op te komen moet een renner zichzelf én de fiets omhoog tillen. Dat kost energie. De zwaarte-energie (potentiële energie) die je wint bij het stijgen bereken je met:
E = m · g · h
- m = de totale massa (renner + fiets) in kilogram
- g = de valversnelling, ongeveer 9,81 m/s²
- h = het hoogteverschil in meters
Vermogen is vervolgens de energie gedeeld door de tijd:
P = E / t
Vermogen wordt uitgedrukt in watt (W). Eén watt is één joule per seconde. Dit is exact dezelfde formule waarmee je in de natuurkundeles het vermogen van een lift of een pomp uitrekent — alleen nu met een wielrenner als "machine".
Een rekenvoorbeeld in de stijl van de Tour
Stel je voor: een renner met een lichaamsgewicht van 60 kg en een fiets van 8 kg, samen 68 kg. Hij klimt 400 hoogtemeters en doet daar 20 minuten (1200 seconden) over.
Eerst de gewonnen zwaarte-energie:
E = 68 · 9,81 · 400 ≈ 266.800 joule
Dan het vermogen dat alleen nodig is om te stijgen:
P = 266.800 / 1200 ≈ 222 watt
Dat lijkt weinig, maar let op: dit is uitsluitend het vermogen tegen de zwaartekracht. In werkelijkheid komt daar nog luchtweerstand, rolweerstand en verlies in de aandrijving bij. Op een steile klim overheerst de zwaartekracht, dus dit getal geeft al een goed beeld. Toppers als Vingegaard leveren op een lange klim eerder 400 tot 450 watt — het verschil zit dus grotendeels in die extra weerstanden en in een veel hoger tempo.
Waarom watt per kilo alles bepaalt
In het wielrennen praten coaches zelden over kale watts. Ze delen het vermogen door het lichaamsgewicht: watt per kilogram (W/kg). Dat is logisch, want een zwaardere renner moet meer massa omhoog duwen.
Reken maar mee met ons voorbeeld: 222 watt gedeeld door 60 kg lichaamsgewicht is 3,7 W/kg — een sterke, sportieve amateur. Een klimspecialist in de Tour haalt op een beklimming van twintig minuten grofweg 6 W/kg. Dat verschil van "maar" 2 W/kg is precies waarom een prof je op elke helling laat staan.
Dit is een mooie som om zelf te oefenen: neem je eigen gewicht, schat een vermogen, en deel. Zo zie je meteen hoe gevoelig de uitkomst is voor massa — en waarom klimmers zo mager zijn.
VAM: de klimsnelheid als extra maat
Er is nog een handige grootheid die renners gebruiken: de VAM, oftewel de verticale klimsnelheid in hoogtemeters per uur. Je berekent hem door de gewonnen hoogte te delen door de tijd, omgerekend naar uren.
In ons voorbeeld: 400 meter in 20 minuten (een derde uur) geeft 400 · 3 = 1200 hoogtemeters per uur. Op de zwaarste bergen van de Tour tikken de besten de 1700 hoogtemeters per uur aan. De VAM is populair omdat je hem kunt schatten zonder dure vermogensmeter — je hebt alleen een hoogtemeter en een stopwatch nodig. Ideaal materiaal voor een praktische natuurkundeopdracht.
Van de Tour naar je eigen huiswerk
De valpartij van Vingegaard is hard nieuws voor de wielerwereld, maar de klim eronder is een cadeautje voor wie natuurkunde onder de knie wil krijgen. Met drie formules — E = m·g·h, P = E/t en de deling naar W/kg — reken je zelf uit wat een renner presteert. Het mooie is dat exact deze aanpak terugkomt bij liften, kabelbanen en zelfs bij het optillen van een boodschappentas.
Loop je toch vast op arbeid, energie en vermogen, of op het omrekenen van eenheden? Een bijlesdocent natuurkunde kan je stap voor stap door dit soort sommen loodsen, zodat je bij het volgende proefwerk niet zelf onderuit gaat. Op Expert Zoom vind je gekwalificeerde bijlesbegeleiders die precies dit type vraagstuk met je doorrekenen — van de basisformule tot de valkuilen bij de eenheden.
Wie de volledige etappe-uitslag en het bergprofiel wil nakijken om met echte cijfers te rekenen, kan terecht op de officiële website van de organisatie, letour.fr. Pak een klim, noteer de hoogtemeters en de tijd, en de natuurkunde doet de rest.

Laura Bakker